Onderzoek 'Wegwijs naar werk. Longitudinale analyse en evaluatie van inburgerings- en activeringstrajecten in Vlaanderen, 2005-2016'

  • 12 maart 2020

Het VIONA-onderzoek “Leerstoel Migratie, Integratie en Arbeidsmarkt” vult de bestaande lacunes in de kennis rond de arbeidsmarktintegratie van mensen van buitenlandse herkomst in Vlaanderen aan door hun trajecten naar werk systematisch en longitudinaal in kaart te brengen rekening houdend met verschillende beleidsdomeinen. Het onderzoek bevatte zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethoden. Door de unieke statistische onderzoeksmethode gaat het om een impactmeting in de reële zin van het woord. Het huidige VIONA-onderzoek bekijkt kwartaal per kwartaal het positieve effect van de maatregel. Dankzij het werken met ‘statistische tweelingen’ (gelijkaardige kenmerken maar zonder gebruik te maken van de tewerkstellingsmaatregel) wordt ook gecontroleerd op het profiel van de werkzoekenden.

 

Het onderzoekt ten eerste (RESPOP) de integratie op de arbeidsmarkt van de ‘tussengeneratie’ (als kind gemigreerd naar Vlaanderen en hier school gelopen) en de 2e generatie personen van buitenlandse herkomst in vergelijking met personen zonder migratieachtergrond. Ten tweede (NEWPOP) focust het onderzoek op de integratie van nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Hierbij werden longitudinale microgegevens van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid (KSZ) betreffende arbeidsmarktuitkomsten voor de periode 2005-2016 geïntegreerd met i) gegevens over activerings- en bemiddelingstrajecten afkomstig van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB), ii) gegevens over inburgeringstrajecten (waaronder NT2 en maatschappelijke oriëntatie) en iii) gegevens over afgeleverde arbeidsvergunningen afkomstig van het Departement Werk en Sociale Economie (WSE). De longitudinale en econometrische analyse van dergelijke domeinoverschrijdende microdata laat toe de effecten in te schatten van beleidsinterventies op vlak van inburgering, onderwijs en activering op arbeidsmarktuitkomsten van personen met een migratieachtergrond.

 

De opdrachtgevers van deze leerstoel waren departement WSE en Agentschap Binnenlands BestuurDe opdracht werd uitgevoerd door Universiteit Antwerpen. Hierna volgen de conclusies van dit 3-jarig onderzoeksproject

 

Conclusies wat betreft de residentiële bevolking van buitenlandse herkomst (analyses RESPOP):

 

1)          Ongelijke arbeidsmarktposities naar migratieachtergrond ontstaan bij arbeidsmarktintrede: De longitudinale analyse van de arbeidsmarktintrede van schoolverlaters (2e generatie en tussengeneratie) toont aan dat reeds bij de eerste arbeidsmarktintrede de situatie voor personen met een migratieachtergrond negatiever is. Wanneer we kijken naar hun eerste duurzame tewerkstelling (langdurig en minstens een bepaald loon), wordt het verschil naar al dan niet migratieachtergrond nog groter. Bij verdere analyses worden ook individuele kenmerken (geslacht, leeftijd, …) en huishoudkenmerken (al dan niet partner, tweede inkomen, …) en sociale achtergrond meegenomen. Deze verklaren een deel van de verschillen, maar toch blijft een aanzienlijk deel van deze achterstand onverklaard

Dit wil zeggen dat deze onverklaarde achterstand niet te herleiden is naar deze kenmerken in administratieve databanken, maar dat de oorzaken elders liggen zoals mogelijks sociaal netwerk, discriminatie, enz.

 

2)         Verschillende instroom in activeringsmaatregelen naar migratieachtergrond: Werklozen met een niet-Europese of eerste generatie Zuid-Europese migratieachtergrond vertonen een beduidend lagere instroom in activeringsmaatregelen met een directe link naar de arbeidsmarkt (IBO of andere vormen van werkplekleren) of specifieke beroepen (beroepsgerichte opleidingen).

 

3)         Activeringsmaatregelen met een directe link naar de arbeidsmarkt vertonen het hoogste rendement: individuele beroepsopleiding (IBO) en andere vormen van werkplekkeren leiden het meest naar duurzame tewerkstelling.

 

Conclusies wat betreft de nieuwkomers (analyses NEWPOP)

 

4)         Doorstroom en toeleiding van inburgering naar VDAB: Beschrijvende analyses duiden op een consistente en aanzienlijke positieve samenhang tussen het reeds doorlopen inburgerings- en/of taaltraject dat nieuwkomers hebben doorlopen en de deelname aan VDAB activeringsmaatregelen.

 

5)         Activeringsmaatregelen met een directe link naar de arbeidsmarkt vertonen ook voor nieuwkomers het hoogste rendement: Ook voor deze groep geldt dat de activeringsmaatregel met de sterkste en meest directe link naar de arbeidsmarkt, IBO, het hoogste rendement genereert in termen van de intrede in een stabiele tewerkstelling.

 

6)         Maar ook relatief hoog rendement van beroepsgerichte opleidingen, bemiddeling en begeleiding: Het relatief hoge rendement van beroepsgerichte opleidingen suggereert dat opleidingen – via een verhoging van menselijk kapitaal – voor nieuwkomers een aanzienlijke meerwaarde genereren. Het relatief hoge rendement van bemiddeling en begeleiding suggereert dat niet-werkende nieuwkomers hier aanzienlijk, en meer dan de residentiële populatie met een migratieachtergrond, baat bij hebben om zich in de Vlaamse arbeidsmarkt te navigeren.

 

7)         Inburgerings- en taaltrajecten vervullen een dubbele rol in termen van arbeidsmarktintegratie: Enerzijds komen niet-werkende nieuwkomers die reeds deelnamen aan een inburgerings- en/of taaltraject vaker in aanraking met activeringsmaatregelen van VDAB (zie puntje 4). Anderzijds genereren NT2 en MO ook (beperkte) directe positieve effecten op arbeidsintrede.

 

Conclusies op basis van de kwalitatieve analyses:

 

8)         Consulenten als gatekeepers voor instroom in activeringsmaatrelen: Consulenten krijgen de nodige handelings- en beslissingsruimte om een maatgerichte begeleiding en opvolging te voorzien voor werkzoekenden. Dit onderzoek toont aan dat consulenten bij de toewijzing van werkzoekenden aan activeringsmaatregelen vier ideaaltypen onderscheiden op basis van zelfredzaamheid (competenties) en zelfregie (oriëntatie). Personen met een migratieachtergrond worden vaker als minder zelfredzaam beschouwd. Dit verklaart waarschijnlijk het feit dat we vaststellen in de cijfers dat zij eerder naar competentieversterkende maatregelen worden doorgestuurd ipv naar activeringsmaatregelen met directe link naar de arbeidsmarkt (met name stages op de werkvloer, IBO, …).

 

9)         Lage arbeidsparticipatie van vrouwen met een niet-Europese migratieachtergrond: Voor de eerste generatie blijkt vooral een gebrek aan competenties (talenkennis en onderwijsniveau) en een grote afstand tot de arbeidsmarkt (institutionele kennis en sociaal kapitaal) de arbeids(markt)intrede te bemoeilijken. Voor de tweede generatie blijken vooral beperkingen omtrent sociaal netwerk (gebrek aan rolmodellen), gebrekkige opportuniteitsstructuren van ouders (kennis onderwijssysteem, financiële instabiliteit) een barrière te vormen, naast verschillende vormen van discriminatie.

 

Download de samenvatting van deze studie.

Klik hier om de volledige studie in aparte luiken te downloaden.